De Volksrepubliek China viert haar 60ste verjaardag. Van een uiterst arm en onderontwikkeld land in 1949, is China uitgegroeid tot de tweede industriële natie ter wereld. China heeft daarvoor zelf een ontwikkelingsmodel moeten ontwerpen en uitbouwen. Het succes daarvan heeft niet alleen China veranderd, maar ook de verhouding tussen Noord en Zuid in de wereld.
Op het ogenblik dat Mao Zedong de Volksrepubliek China uitriep, was het levensniveau in China niet hoger dan in zwart-Afrika. In de eerste periode van opbouw, van 1949 tot 1979, boekte het land heel wat successen in de strijd tegen de armoede. Maar in de tweede periode, van 1979 tot vandaag, was de vooruitgang het grootst. De Wereldbank schrijft: “Tussen 1981 en 2004 daalde het deel van de bevolking dat minder dan een dollar per dag heeft, van 65 naar 10 procent. Tussen 1981 en 2004 werden meer dan 500 miljoen Chinezen uit de armoede getild.”
Ook op de andere terreinen van menselijke ontwikkeling is de vooruitgang indrukwekkend.
In 1949 was 90 procent van de Chinezen analfabeet. Vandaag kan 87 procent van de vrouwen en 96 procent van de mannen ouder dan 15 jaar lezen en schrijven.
In 1949 werd een Chinees gemiddeld 35 jaar. Vandaag 72 jaar. Er zijn nu 4 miljoen ziekenhuisbedden en 6 miljoen voltijdse verplegers, dokters en apothekers. Het aantal dokters per 10.000 inwoners bedraagt nu 16, de helft meer dan in 1978.
In 1949 was naar schoolgaan een voorrecht van de rijken. Vandaag heeft China het grootste scholennet ter wereld. Het kleuteronderwijs telt 23 miljoen kleuters. Het lager, middelbaar en hoger onderwijs hebben respectievelijk 105, 92 en 20 miljoen leerlingen en studenten. Ieder jaar studeren er ruim 6 miljoen studenten van universiteiten en hogescholen af. In het onderwijs werken 13 miljoen voltijdse leerkrachten.
De sleutel: de economie
China heeft de voorbije 60 jaar nooit pasklare oplossingen gevonden voor de problemen die immens zijn in een land waar ruim één vijfde van de mensheid woont en dat in 1949 tot de armste van de planeet behoorde. De Communistische Partij heeft veel fouten gemaakt, ook erg zware, en ongetwijfeld maakt ze vandaag nog altijd fouten. Maar je kan die fouten en vergissingen niet goed inschatten als je ze niet plaatst in een context van erg snelle vooruitgang.
Geen enkel groot land kan een palmares voorleggen zoals China. Buurland India met ook ruim een miljard inwoners, lag in 1949 qua menselijke ontwikkeling ver voor op China. Vandaag is de toestand omgekeerd. In China is 7 procent van de kinderen ondervoed. In India 44 procent. In China gaat 98 procent van de kinderen beneden de 12 jaar naar school. In India 50 procent.
In 1950 was het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking in China een kwart lager dan in India. Vandaag is het drie keer hoger.
De sleutel van het Chinese succes ligt vanzelfsprekend hier: hoe sneller de economie groeit, hoe sneller de problemen van voedsel, kleding, wonen, gezondheidszorg, onderwijs, tewerkstelling, urbanisatie opgelost kunnen worden.
Sinds 1980 groeit de Chinese economie ieder jaar met gemiddeld 10 procent, ruim het dubbele van de groei van de periode 1949-1979. China kan nu zijn hele bevolking voeden: 22 procent van de mensheid, ook al heeft China slechts 9 procent van de bebouwbare landbouwgrond van de wereld. De graanreserves van China zijn dubbel zo groot als het wereldgemiddelde.
In 1952 bedroeg het bruto binnenlands product (wat geproduceerd is in alle sectoren) 68 miljard yuan. In 2008 30.000 miljard yuan.
In 1950 produceerde China minder dan 3 procent van wat in de hele wereld geproduceerd werd. Vandaag 12 procent.
Van de 22 voornaamste industriële categorieën zijn er 7 waarvan China de grootste producent is.
De nummers één, twee en drie in de internationale bankwereld zijn Chinees en alle drie van de staat.
China produceerde in 1950 160.000 ton staal, net genoeg om voor iedere inwoner een keukenmesje te maken. Vorig jaar bedroeg de staalproductie 500 miljoen ton – dat is meer dan de productie in de Verenigde Staten, Japan en Rusland samen.
In 2008 realiseerde China 22 procent van de totale economische groei in de wereld. Volgens de Verenigde Naties zal dat dit jaar 50 procent zijn.
Terwijl de hele wereld zucht en kreunt onder de economische crisis, zal China ook dit jaar weer een economische groei kennen van ruim 8 procent. Ter vergelijking: de 16 landen die de euro gebruiken, hebben dit jaar een negatieve groei van 4 procent.
De praktijk schreeuwt om een nieuw economisch model
In de loop van de jaren heeft de Communistische Partij van China een model ontworpen dat ze socialistische markteconomie noemt. “Daaraan hebben wij ons economisch succes te danken,” zegt ze.
Dit model is vanaf 1979 stapsgewijze uitgebouwd, als een alternatief voor het klassieke Sovjet-model, de planeconomie, die China tot 1979 kende. Het Sovjet-model ontstond in de jaren 1927-1929, na de dood van Lenin, de stichter van de Sovjet-Unie. Alle socialistische landen pasten dit model toe na de Tweede Wereldoorlog.
De planeconomie, waarbij de staat de beschikbare middelen zoals grondstoffen en financies toewijst aan de ondernemingen, heeft zijn successen en zijn mislukkingen gekend. Het model zorgde ervoor dat de Sovjet-Unie op zeer korte tijd evolueerde van een onderontwikkeld land naar de tweede grootste economische natie op aarde. Het zorgde ervoor dat de Sovjet-Unie het nazisme kon verslaan en na de oorlog economisch weer snel op de been kwam.
Maar vanaf de jaren '60 ging de sovjet-economie achteruit in productiviteitsgroei, efficiëntie en algemene economische vooruitgang. De centrale planning kon niet verhinderen dat de welvaart en het welzijn van de mensen slechts matig verbeterde en dat er langdurige schaarste optrad van levensmiddelen en consumptiegoederen. Vanaf de jaren '60 groeide de kapitalistische economie in de centra Verenigde Staten en West-Europa sneller dan in de Sovjet-Unie. Dertig jaar later was dat één van de oorzaken van het verdwijnen van de Sovjet-Unie.
Op het einde van de jaren '70 stond China voor een vergelijkbare situatie als de Sovjet-Unie in het begin van de jaren '60. De centrale planning zorgde tijdens het Eerste Vijfjarenplan van 1952 tot 1957 voor een spectaculaire economische groei maar nadien daalde de groeivoet onophoudelijk. Op het einde van de jaren '70 was de meerderheid van de staatsondernemingen verlieslatend.
De productiviteitsgroei in de hele economie bedroeg in het eerste Vijfjarenplan gemiddeld 8,7 procent per jaar. In het Derde Vijfjarenplan (1965-1970) was ze gezakt tot 2,5 procent en in het Vierde Vijfjarenplan (1970-1975) tot nog maar 1,3 procent gemiddeld per jaar.
Tijdens het Eerste Vijfjarenplan stegen de reële lonen in de staatsbedrijven met 5,4 procent per jaar gemiddeld. In het Vierde Vijfjarenplan was die groei negatief: -0,1 procent gemiddeld per jaar.
Tussen 1957 en 1978 steeg de privé consumptie op het platteland met 1,9 procent per jaar en per hoofd. In de stad bedroeg die stijging 2,6 procent. Vandaag ligt die stijging zowel op het platteland als in de stad drie tot vier keer hoger.
Tussen 1958 en 1978 steeg de productie van granen met gemiddeld slechts 2,08 procent per jaar. Dat is nagenoeg evenveel als de stijging van de bevolking.
In 1952 was de verhouding plattelandsbewoners versus stedelingen 4,9:1. In 1978 was die verhouding precies dezelfde.
In 1952 was 85 procent van de arbeidskrachten op het platteland tewerkgesteld in de landbouw. In 1978 was dat cijfer nog even hoog.
Kortom, de praktijk schreeuwde om een nieuw economisch model dat kon zorgen voor een snellere productiviteitsgroei, winsten voor de staatsbedrijven, een grotere efficiëntie in de toewijzing en het gebruik van de beschikbare middelen en een snellere ombouw naar een industriële, moderne natie. Dat model moest meer ruimte geven aan de individuele en de kapitalistische economie en meer autonomie aan de staatsbedrijven zonder de basis van het socialisme, het bezit van de leidinggevende delen van de economie plus de staatsmacht, uit handen te geven. Zo dwong de praktijk de oude en weinig efficiënte dogma's te laten varen. Toen China in 1979 schuchter de eerste marktmechanismen invoerde in de landbouw, kende die een explosieve groei. Dat was de aanmoediging om door te gaan. In de vijftien jaar die daarop volgden kon China het coherente model van socialistische markteconomie uitbouwen.
Socialistische en kapitalistische markt
Drie kenmerken maken het verschil tussen de socialistische en de kapitalistische markteconomie.
In de socialistische markteconomie heeft de staat via haar ondernemingen en holdings de pijlers en de richtingbepalers van de economie in handen zoals de banksector, de staalnijverheid, de telecommunicatie, het transport, de energiesector, de mijnbouw...
Verder is het staatsapparaat niet in handen van de kapitalistische ondernemers. Die kunnen zich niet, zoals gebeurd is onder het kapitalisme, tot een doorslaggevende sociaal-economische klasse aaneensluiten en zij bepalen daarom ook niet de sociaal-economische politiek van de natie.
Tenslotte zijn er verschillen in de functionering van de markt. Onder het socialisme is er een verhouding van eenheid en strijd tussen de staat en de markt waarbij de staat de sterkste en beslissende factor is. Alhoewel de markt het belangrijkste instrument is dat de beschikbare middelen onder de ondernemingen verdeelt, toch is ze niet vrij. De markt is onder het socialisme werkzaam binnen de limieten van het sociaal systeem. Dat bepaalt het karakter van de markt. Zo legt de Chinese staat in haar Vijfjarenplannen en in haar dagelijkse politiek vast welke de prioriteiten zijn, waar en hoe welke doorbraken gerealiseerd worden, waar en hoe bepaalde aspecten gecorrigeerd moeten worden. De staat moedigt het individuele en het kapitalistische deel van de economie aan maar toch gaat haar voorkeur uit naar de staatsondernemingen. In oktober 2008 maakte de Chinese staat een stimuleringspakket bekend ter waarde van 4.000 miljard yuan. Ruim 80 procent van dit enorme bedrag gaat naar orders voor de staatsondernemingen.
In de kapitalistische vrije markteconomie is er eveneens staatsplanning en staatstussenkomst, maar slechts in minieme mate en altijd gericht op de rentabiliteit van de privé-ondernemingen. In tijden van crisis en oorlog schakelt de kapitalistische vrije markteconomie snel over naar een systeem waar de nationale planning en coördinatie veel sterker is. Maar ook dan is de winst van de privé-ondernemingen en privé-banken het leidende principe. In de socialistische markteconomie daarentegen is de algemene sociaal-economische ontwikkeling van de natie het leidende principe.
Het lijdt niet de minste twijfel dat de socialistische markteconomie nieuwe tegenstellingen creëert. De belangrijkste is deze: naarmate de economie groeit en ook kapitalistische ondernemingen reuzen worden, zal onder de kapitalisten ongetwijfeld de tendens groeien om controle te krijgen over het staatsapparaat. Zoals de voorbije 60 jaar op cruciale momenten altijd het geval was, zullen de interne cohesie en principe-vastheid van de Communistische Partij dan doorslaggevend zijn.
China verandert de wereld
De socialistische economie heeft China doen groeien als geen ander groot land ooit in de geschiedenis. Dat is niet onopgemerkt voorbij gegaan in de landen van Azië, Afrika en Latijns-Amerika waar 80 procent van de wereldbevolking woont.
Sinds de jaren '90 komt daar een zogenoemde Beijing-consensus tot stand, een algemene goedkeuring van het Chinese ontwikkelingsmodel. De Beijing-consensus groeit terwijl de Washington-consensus voortdurend zwakker wordt. De Washington-consensus is synoniem aan neoliberalisme, privatisering, afbouw van de sociale overheidsprogramma's, verkoop van de meest rendabele delen van de nationale economie aan de Verenigde Staten, West-Europa of Japan, bevoordeling van de rijkere lagen van de bevolking... Dat alles zou de landen van de Derde Wereld uiteindelijk zeer ten goede komen, aldus de verdedigers van de Washington-consensus. De weg zou hier en daar en af en toe pijnlijk zijn maar ze zou leiden naar een stralende toekomst.
Het tegendeel gebeurde: de armoede nam toe, de inkomens stagneerden of daalden, onderwijs en gezondheidszorg gingen achteruit. De afbouw van de sociale programma's zorgde in Thailand voor een grotere verspreiding van aids en in Indonesië voor de vermindering van voedselsubsidies aan hen die honger lijden. Als kers op de taart veroorzaakte het neoliberalisme steeds meer economische crisissen in Azië, Afrika en Latijns-Amerika. De voorbije 30 jaar waren er ruim 100 ernstige economische crisissen in individuele ontwikkelingslanden.
De Washington-consensus kreeg in 2008 de genadeslag toen de zichzelf superieur wanende financiële instellingen in het Westen, die altijd met goede raad te koop liepen voor de landen van de Derde Wereld, in mekaar stuikten, waarna een onoverzichtelijke chaos in de hele kapitalistische economie volgde.
Weinigen in de Derde Wereld zijn vergeten hoe de specialisten van de Westerse financiële instellingen jarenlang hadden gewaarschuwd voor de ineenstorting van de Chinese banken. Maar de Derde Wereld ziet nu hoe diezelfde Chinese banken de Amerikaanse schatkist ter hulp moeten snellen of de nummer één van de wereld is failliet en hoe bedrijfsleiders van veel Amerikaanse multinationals de here God op beide knieën danken dat er een Chinese markt bestaat zoniet konden ze hun boeltje pakken. Het zakentijdschrift Forbes uit de Verenigde Staten schrijft: “De komende jaren is de welvaart van de Verenigde Staten afhankelijk van wat er in China gebeurt. Wij hangen af van de goodwill van de Chinezen om onze begrotingstekorten te financieren. Maar onze afhankelijkheid gaat dieper. Onze handel, onze veiligheid, onze diplomatie, onze competitiviteit kunnen niet groeien tenzij het China goed gaat.”
De afstraffing van het hautaine kapitalisme, dat vanaf de slavenhandel dacht superieur te zijn aan de Untermenschen, de 80 procent van de wereldbevolking in Azië, Afrika en Latijns-Amerika, is compleet. Dat zet aan tot fundamenteel denken. Nobelprijswinnaar en professor economie Joseph Stiglitz schreef onlangs: “Deze crisis zal voorbijgaan. Maar geen enkele ernstige crisis gaat voorbij zonder sporen na te laten. Tot de erfenis van de huidige crisis hoort het wereldwijde gevecht tussen ideeën en over de vraag welk economisch systeem het beste is voor het volk. Nergens wordt dat gevecht feller gevoerd dan in de Derde Wereld, onder de mensen in Azië, Latijns-Amerika en Afrika. Hier woedt de ideeënstrijd tussen kapitalisme en socialisme. (…) De landen van de Derde Wereld zijn er steeds meer van overtuigd dat je de Amerikaanse economische idealen niet moet omarmen maar er zo snel mogelijk moet van weghollen.”
Handelsrelaties gooien internationale verhoudingen om
De ideeënstrijd en het verwerpen van het Amerikaanse model zijn ook een gevolg van de veranderde economische relaties in de wereld. De economische groei in China bracht mee dat het land steeds actiever werd op het internationale economische toneel. Dat heeft op nauwelijks 20 jaar de verhoudingen ondersteboven gegooid.
In een lijvig rapport over de economische samenwerking tussen Afrika en China en Afrika en India, schrijft de Wereldbank: “Tientallen jaren lang is de wereldhandel een kwestie geweest tussen de ontwikkelde landen in het Noorden en de ontwikkelingslanden in het Zuiden en tussen de landen van het Noorden onderling. Maar nu is er een brede stroom van investeringen en handel tussen Afrika en Azië. In het jaar 2000 ging 14 procent van de Afrikaanse uitvoer naar Azië. Vandaag is dat 27 procent. Dat is haast evenveel als de export naar de Verenigde Staten en West-Europa, de traditionele handelspartners van Afrika. Het West-Europese deel van de Afrikaanse export is in de periode 2000-2005 gehalveerd.”
De motor van de Afrikaans-Aziatische economische samenwerking is China. Veertig procent van de Afrikaanse uitvoer naar Azië is bestemd voor China.
De handel tussen China en de andere landen van de Derde Wereld gaat uit van het win-win principe: de twee partners moeten baat hebben bij de handel. In regel betekent het dat China infrastructuur levert in ruil voor ertsen en olie. Zo is er einde 2007 een omvangrijk akkoord afgesloten tussen Congo-Kinshasa en China waarbij bepaald is dat in ruil voor ertsen China de bouw op zich neemt van 31 ziekenhuizen (van ieder 150 bedden), 145 gezondheidscentra (van ieder 50 bedden), 4 grote universiteiten, 20.000 sociale woningen, watervoorziening in de stad Lubumbashi, een nieuw parlementsgebouw, 3.300 km wegen, 3.000 km spoorweg (het wegennet in het land is nu niet eens 5.000 km lang). De Congolese minister van Infrastructuur Pierre Lumbi zei bij het afsluiten van het contract: "Voor het eerst in de geschiedenis weet het Congolese volk waarvoor onze kobalt, onze nikkel en ons koper dienen."
Het blad The Economist schrijft: “Vijftig jaar Europese en Amerikaanse hulp hebben Afrika niet veel baat gebracht. Dat is met China anders. In ruil voor olie en grondstoffen bouwt China de Afrikaanse infrastructuur uit.”
Het is evident dat China daarmee veel goodwill en vrienden maakt in Afrika ten koste van Afrikaans-Amerikaanse en de Afrikaans-Europese banden.
Hetzelfde gebeurt in Latijns-Amerika. Ook daar hebben de economische banden al geleid tot het afsluiten van verdragen van 'strategisch partnerschap' tussen enerzijds China en anderzijds Brazilië, Venezuela, Mexico, Argentinië, Peru, Cuba, Colombia en Chili.
Ook Azië maakt die veranderingen door. De New York Times stelde al in 2003 vast: "De 50 jaar oude Amerikaanse dominantie in Azië brokkelt steeds verder af. De Aziatische landen kijken nu op de eerste plaats naar China." Intussen is de situatie zodanig geëvolueerd dat zelfs de verhouding tussen de Verenigde Staten en Japan, Taiwan en Zuid-Korea, de drie voornaamste bondgenoten van de VS in Azië, onder druk komt. In 1995 voerden Zuid-Korea en Taiwan ieder twee maal zo veel uit naar de Verenigde Staten dan naar China. Tien jaar later voerden de twee al meer uit naar China. In 1995 exporteerde Japan drie keer zoveel naar de Verenigde Staten als naar China. Vorig jaar werd China het eerste uitvoerland van Japan.
Een rapport voor het Amerikaanse congres zegt: "De gewijzigde handelsstromen veranderen ook de afhankelijkheidsverhouding. Japan, Taiwan en Zuid-Korea zijn nu meer afhankelijk van China. (...) De economische relaties zorgen ervoor dat er nu meer politieke samenwerking en overeenkomst is tussen China en Japan, Taiwan en Zuid-Korea."
Dat valt samen met de steeds verder afbrokkelende invloed van de Verenigde Staten in Azië.
Op de drie continenten van de Derde Wereld doet zich hetzelfde fenomeen voor. Overal lijkt een einde te komen aan de koloniale periode. De voorbije eeuw, en dan vooral na de Tweede Wereldoorlog, hebben tientallen naties in de Derde Wereld de onafhankelijkheid afgedwongen. Maar in zeer veel gevallen was die onafhankelijkheid slechts schijn en er veranderde zeer weinig aan de onderontwikkeling. De aanwezigheid van China op het internationale toneel draagt nu bij tot reële onafhankelijkheid en tot ontwikkeling.
Bovenstaande is geschreven door Peter Franssen, redacteur van www.infochina.be op 1 oktober 2009.
Bronnen:
– Basu, Kaushik. Asian Century | A Comparative Analysis of Growth in China, India and other Asian Economies, Department of Economics, Cornell University, New York 2009.
– Broadman Harry. Africa's Silk Road | China and India's New Economic Frontier, The World Bank, Washington 2007.
– 'Contrat Chine-RDC : encore des éclaircissements', Le Potentiel, 10 mei 2008.
– Datta, K.L.. Central Planning | A Case Study of China, Concept Publishing Company, New Delhi 2004.
– Deng Xiaoping. 'Points essentiels des propos tenus à Wuchang, Shenzhen, Zhuhai et Shanghai, in: Textes Choisis, Editions en Langues Etrangères, Beijing 1994, Tome III, blz. 379-393.
– Economic Management Department Worldbank, From poor areas to poor people: China's evolving poverty reduction agenda | An asessment of poverty and inequality in China, New York 2009.
– Eunjung Cha Ariana. 'China Uses Global Crisis to Assert Its Influence', The Washington Post, 23 april 2009.
– Franssen, Peter. 'De ontwikkeling van het socialisme in China ', in: Marxistische Studies, nr. 78, Brussel 2007, blz. 13-112.
– Gabriele Alberto en Francesco Schettino. Market Socialism is a Distinct Socioeconomic Formation Internal to the Modern Mode of Production, Unctad, Genève 2008.
– Gabriele Alberto. The Role of the State in China's Industrial Development: a Reassesment, Unctad, Genève 2009.
– Gao Lu. 'Seemingly Easy Struggle of Adopting Socialist Market Economy', Jingji Ribao, 14 november 1992.
– Faiola Anthony en Mary Jordan. 'Developing Nations Set to Get More Say', The Washington Post, 31 maart 2009
– Guo Fei. 'Some thoughts on deepening the reform of ownership structure', Social Sciences in China, Vol. XXIX, nr. 4, november 2008, blz. 81-97.
– 'Liu Guoguang on socialist market economy', Xinjiang Ribao, 20 november 1992.
– Ma Hong. 'Establish a New Socialist Market Economic Structure', Jingji Yanjiu, 12 november 1992.
– Moffett Sebastian. 'Japan Gets Shelter via China Trade', Wall Street Journal, 5 februari 2008.
– Kornai Janos en Yingyi Qian. Market Socialisme in the Light of the Experiences of China and Vietnam, Palgrave Macmillan, New York 2009.
– Nanto Dick K. en Emma Chanlett-Avery. The Rise of China and Its Effect on Taiwan, Japan, and South Korea, CRS Report for Congress, 2006.
– National Bureau of Statistics, China Statistical Yearbook, China Statistics Press, Beijing 2008.
– Perlez Jane. 'Asian Leaders Find China a More Cordial Neighbor', The New York Times, 17 oktober 2003.
– Shankar Acharya. 'Rising India labours in the shadow of Asia's real giant', Financial Times, 29 juli 2009.
– ‘Special report on China’s quest for resources’, The Economist, 15 maart 2008
– Stiglitz Joseph. 'Wall Street’s Toxic Message', Vanity Fair, juli 2009.
– Thwaites Christian. 'China To the Rescue', Forbes, 30 maart 2009.
– Zhang Jiawei. 'China enters list of lower-middle-income countries', China Daily, 8 september 2009.
– Zhang Xudong. 'Statistics Show China's Achievements, Deficiencies Over Past 60 Years', Xinhua, 18 augustus 2009.
– Zhu Shilong. 'Interview with Liu Guoguang', Zhongguo Jizhe, 15 november 1992.