Onevenwichten in de Tibetaanse economie
in

Van 13 tot 17 oktober vond in Beijing een internationaal seminarie van tibetologen plaats. De Belg Jean-Paul Desimpelaere was één van de genodigden. Hij bericht vanuit de Chinese hoofdstad.

De deelnemers aan het seminarie konden luisteren naar een opmerkelijke analyse over de economische ontwikkeling van Tibet door professor Sun Yong, een economist en de vice-voorzitter van de Academie voor Sociale Wetenschappen in Lhasa.

Professor Sun Yong: “De economische ontwikkeling van Tibet is totnogtoe vooral gebaseerd op het openen van de regio door infrastructuurwerken: communicatie, transport, energie, urbanisatie, bouwen van scholen en hospitalen. De trein naar Lhasa is daarbij de kroon op het werk. Momenteel zijn we flink de nadruk aan het leggen op ecologie: uitbreiden van de beschermde zones, subsidiëring van zonne-energie-installaties, beter gebruik van bronwater en beter beheer van de productie van geneeskruiden. Wij stoten daarbij onherroepelijk op de vaststelling dat het onderwijs in Tibet nog zwak is. Dit staat in schril contrast met de rijke cultuur.

Nog altijd komt 90 procent van de plaatselijke begroting uit de staatskas in Beijing. Dat zal nog een tijd duren. De enige uitweg is het diversifiëren van de Tibetaanse economie, er zijn nog te veel mensen louter actief in de landbouw en veeteelt. En hun inkomensniveau ligt nog 20 procent onder het gemiddelde van de plattelandsbevolking in China. Bij de mensen is er een rem om hun veestapel te verkopen (noot van mezelf: er is teveel vee in Tibet voor het beschikbare gras), ‘het vee staat niet op het vetst want er is te weinig gras’, zeggen de mensen, of gewoon omdat zij hun traditionele manier van leven willen behouden.

Toch is de enige weg naar economische vooruitgang het verminderen van het aantal mensen in de landbouw en voor hen die blijven de technieken verbeteren. Een deel van de Tibetanen zal in de diverse kleine stedelijke agglomeraties moeten gaan wonen. Op voorwaarde dat er daar jobs zijn. Dit veronderstelt een zekere industrialisering, waarbij de lichte nijverheid de enige optie is, naast de uitbouw van de diensten voor het toerisme. Tibetanen zullen producten moeten produceren en leren competitief te zijn met de rest van China, waarbij ze zich marketing- en managementtechnieken zullen moeten eigen maken. Die lichte industrie moet op hun noden gericht zijn: nagaan wat ze zelf nodig hebben en hen vormen om die producten zelf te produceren. Ook kleine bedrijven die de lokale landbouwproducten verpakken of transformeren. Het privé-initiatief mag daarbij wat meer plaats krijgen (noot van mezelf: quasi afwezig tot nu in de ‘industriële’ productie van Tibet). Daarnaast kan de rijke Tibetaanse cultuur dienen om meer artisanale producten uit te voeren naar het binnenland van China en naar de omliggende landen. De buitenlandse handel van Tibet is momenteel zwak. Het bevorderen van de grenshandel met Nepal en India is een belangrijke troef voor de toekomst. Een betere weg of een trein naar die landen kan de Tibetanen een betere handelssituatie bezorgen. Dat er een vlotte communicatie ontstaat tussen Nepal, via Lhasa tot Chengdu, is goed voor Tibet en voor de rest van China.”

Professor Sun Yong voegde eraan toe dat de materiële situatie van de Tibetaanse families er flink op verbeterd is, maar dat de economische structuur nog niet veranderd is: Tibet blijft nog een agrarische gemeenschap, flink gesteund door de staat. Deze “dubbelspoor”-ontwikkeling zal nog een lange tijd doorgaan. Tibet heeft nood aan verstedelijking, verhoging van het technisch niveau van de productie en scholing in technische en beheervaardigheden.

Bovenstaande is een bijdrage van Jean-Paul Desimpelaere, redacteur van http://infortibet.skynetblogs.be en van www.infochina.be.